Uitbundige lente

Wandeling door de landerijen bij het Koningsdiep

Vandaag, 25 februari, is een mooie dag om mijn ochtendwandeling te maken door de velden die we huren bij onze boerderij.
De ooievaars zijn er weer! Ze waren al een week te zien in de buurt, verspreid over de velden rondom. Af en toe zat er eentje op ons dak. Maar op een warme dag, waarop iedereen elkaar buiten aansprak en ontspannen rondfietste of -liep, landde een hele groep op ons dak en koos elk stelletje een nest uit. Het is een prachtig gezicht deze dieren zo hun feestje te zien bouwen daarboven. Met hun stralend witte veren, rode snavels en poten en zwarte jacquetpunten achterop de rug, zijn ze de nesten aan het opknappen, voeren takken en compost aan. Tussendoor wordt er gezeten op het nest, gepaard en wordt de partner teder aangeraakt met de grote snavel, tegen elkaar aanzittend. Het zijn zes nesten, twaalf ooievaars op het grote rode pannendak en eentje op een silo voor de stal. Elke terugkomst op het nest van een van de ooievaars wordt klepperend gevierd door het hele stel. Het klepperen gaat als een ‘wave’ over het dak en de bomen aan de overkant van de weg.

Wij wonen in een beekdallandschap van het riviertje Koningsdiep, ook wel Alddjip genoemd. Dat ontspringt in Bakkeveen en mondde vroeger uit in wat oorspronkelijk de Middelsee of het Boorndiep heette. Dit deel ervan vormt de middenloop, het gebied Van Oordt’s Mersken, waar veenpolders liggen en belangrijke weidevogelgebieden als de Dulf, de Ripen en de Warren. Ons land grenst aan een Natura-2000 gebied waar runderen en Konickpaarden grazen. Onze gehoornde koeien van gemengd ras staan nog in de stal, tot ze weer zolang het voor het gras kan, dag en nacht weiden in verschillende grassoorten, klaver en inheemse kruiden. Ze eten voornamelijk kuil en hooi van eigen grond. We gebruiken geen kunstmest of pesticiden, ook geen andere ‘gewasbescherming’. In 2007 is hier de biologische veehouderij ingezet. Er wordt bovengronds bemest met eigen drijfmest. Deze zit vol leven, wat ik zie aan de korst die zich daarop vormt en waarin de wormen krioelen.

Als ik op pad ga, galloppeert ons Friese paard Marieke me tegemoet. Ze is al twintig jaar oud. Ik ga de wei in: we nemen de tijd voor een knuffel. Haar hoofd rust op mijn arm terwijl ik haar wang streel. Het is een heel gevoelig paard. Oschoon ze groot en indrukwekkend sterk is, geeft ze zacht mee en legt haar hals om mij heen.

Verderop in de wei staat een ooievaar in de grond te prikken. Het zijn waarschijnlijk wormen die hij met een golvende beweging van zijn hals met de kop omhoog naar binnen slikt. Dat gaat een hele tijd zo door, ik verbaas me hoeveel wormen er zich blijkbaar daar op die plek gemakkelijk laten zien. Marieke stampt, ik haal met mijn vingers wat modder uit de hoef van haar achterbeen.

Het paard en de ooievaar laat ik achter me als ik het betonpad oploop, tussen de eerste weiden door en dan verder over het bruggetje langs het water. De lucht is een stuk zachter dan de vorige week en het lijkt of de kleuren die over het land liggen lente uitademen. In de verte gaat de boerderij met haar grote dak bijna op in het bruinige land. Iets warmer, zachter zijn de tinten en ook de geuren die vandaag in mijn neus komen. Ik word er ook zachter van, ik krijg een gevoel dat alles goedkomt, zin in ondernemen, ideeën en plannen komen achter elkaar langs in mijn gedachtenstroom. Ze stromen ook weer verder want ik ben helemaal in het nu, genietend van wat ik opmerk.

Een snorrend geluid naast me in een wilg blijkt van een koolmees te komen. Kan een mees dat ook? Alle dieren zijn nu in lentestemming en maken andere geluiden. Een jonge aangeplante els puilt uit de band om zijn stam, die mag er nu wel af. In de wei waar ik inga, liggen talloze hoge molshopen, rulle aarde. Als er mollen zijn is er genoeg voedsel voor ze, zoals emelten en wormen. De hopen liggen bijna tot aan de waterkant. In de bomenrij waar ik langs loop, twitteren vogels die ik niet kan herkennen, zo hoog als ze zitten en ze laten zich niet dichterbij bekijken. De roffel van een specht is hoorbaar verderop. Vorige week in de vorst schoot er tot mijn verrassing een houtsnip op uit de slootkant en vloog omhoog tot boven de bomen. Wat een pracht! Nu slaan in het bosje koolmezen en de specht alarm met getwitter en gepiep en vliegen snel van mij vandaan, het bosje uit. Het wordt helemaal stil.

Maar naast mij boven de weide cirkelen drie buizerds om elkaar heen. “Kie, kie, kie!”, roepen ze. Ik wandel tot aan de oude eik die daar staat met zijn acht enorme takken, tot zes meter alle kanten uit. Deze is zeker meer dan honderd jaar oud. Het is alsof dit levende wezen alles lijkt te overzien en in zich op te nemen. Bovenin zit een vogelnest. In een oude ronde betonnen drinkbak staat een vliertak die ik eens vond en waar al vanaf oktober een heleboel ‘oortjes’ aan groeien. Misschien is deze tak wel het doel van mijn wandeling: elke keer reageren de zwammen op het weer, worden donkerder bij vorst en weer huidkleurig roze bij dooi. Ze lijken echt op mensenoren. Ik noem ze ‘de oren van de natuur’ maar officieel worden ze judasoren genoemd. Eigenlijk jammer, het legt zo’n stempel op deze speelse zwammetjes, prachtig om te zien hoe ze groeien. Ze hebben alle sneeuw en nachtvorst overleefd. Rondom liggen kleine vogelveren in het gras. Was dit een mees? Verderop vliegt stil een witte zwaan met langgerekte hals over het weiland en het bosje, zijn zwarte kop opvallend voorop. Het speenkruid groeit volop langs het pad. Wat is er toch veel leven om me heen, het stemt me vreugdevol en dankbaar dat ik hier loop.

Alles wat ik aantref heeft verband met de aarde, het water en met elkaar: de ooievaar, de wormen, het paard, de mees en de buizerd of andere predator, de boom en de zwammen die erop groeien, de mol en de das en hun tunnels met voedsel in de aarde, de bomen als woonplaats voor dieren, mossen en schimmels, het bos als schuilplek voor ree en het gras waar de haas zijn leger houdt. Het water met planten en de zwaan, reiger en eend. De kleuren van het landschap die natuurlijk in elkaar overgaan. De bomen die geluiden voortdragen en weerkaatsen, ook die van de auto’s op de weg verderop. En de mens die dieren en planten aantrekt, domesticeert of faciliteert. Alles is met elkaar in een dynamiek, een uitwisseling van trillingen.

Op weg naar huis verrast mij een bijzonder geluid achter mij in de lucht, een soort lokkende roep. Het blijken twee buizerds te zijn die achter elkaar aanvliegen. En alsof het nog niet genoeg is, verschijnt er een groep van wel twintig ooievaars die elkaar lijken thuis te brengen, cirkelend rond de boerderij en de bomen in de omgeving, terwijl ze hun plek weer opzoeken daarboven. Het is lente!